In Nederland wordt maar een half procent van het aantal Deerhounds van het totale bestand in de wereld gefokt. Het aantal Deerhounds dat onderstaande ziektes vertoont is dan ook relatief.

Als foknorm heeft de Deerhoundclub Nederland, dat de honden waarmee gefokt wordt, een harttest moeten ondergaan. Deze test is een jaar geldig. Geen foknorm is het testen op Factor VII Defect. Dit is aan de fokker zelf of hij zijn honden hierop wil laten testen. Als de hond lijder is aan deze factor heeft dit effect op de bloedstolling.

Pups worden getest op levershunt.

Hartafwijking

Dilated Cardiomyopathie, DCM is een afwijking van de hartspier, waarbij de kracht van het spierweefsel is afgenomen. Dit leidt tot een verminderde pompfunctie van het hart, waardoor er uiteindelijk ook onder andere hartritmestoornissen kunnen ontstaan. Meestal is de linker harthelft aangetast waardoor er vocht in de longen kan ontstaan. Is ook de rechterhelft aangetast dan zijn er vochtophopingen in de buikholte en aan de poten. Het kan soms jaren duren voordat de eerste klachten zich openbaren. De afwijking manifesteert zich op een leeftijd tussen 4 en 10 jaar. De eerste verschijnselen van DCM zijn vaak: een verminderd uithoudingsvermogen, vermageren en meestal ook hoesten. Dit hoeft echter niet, soms is een plotselinge dood het eerste en enige symptoom.

Levershunt

Een levershunt is een aangeboren afwijking. Een levershunt (bloedvat) loopt of door de lever of om de lever heen. Beide typen omleiding veroorzaken hetzelfde probleem, het bloed dat door de shunt loopt, zou afgegeven moeten worden in de lever, maar het passeert de lever nu zonder gezuiverd te worden. Dit geeft een verhoogde ammoniakwaarde in het bloed en kan zodoende worden opgespoord.

Section

Zodra een bloedvat beschadigd raakt, treedt het zogenaamde hemostatisch systeem in werking. Het bloedvat vernauwt zich, het weefsel er omheen zwelt op en een stolsel wordt gevormd zodat de bloeding stopt. Stollingsfactoren en bestanddelen uit de wand van het bloedvat zorgen samen voor de vorming van het stolsel. Wanneer het bloedvat weer hersteld is, wordt het stolsel weer afgebroken. De stollingsfactor VII speelt een belangrijke rol bij het op gang komen van de stolling. Ontbreekt deze factor, dan kunnen inwendige bloedingen optreden met de dood tot gevolg, en opgelopen verwondingen willen slecht/niet helen. Via(Een levershunt (bloedvat) loopt of door de lever of om de lever heen. Beide typen omleiding veroorzaken hetzelfde probleem, het bloed dat door de shunt loopt, zou afgegeven moeten worden in de lever, maar het passeert de lever nu zonder gezuiverd te worden. Dit geeft een verhoogde ammoniakwaarde in het bloed en kan zodoende worden opgespoord).(Een levershunt (bloedvat) loopt of door de lever of om de lever heen. Beide typen omleiding veroorzaken hetzelfde probleem, het bloed dat door de shunt loopt, zou afgegeven moeten worden in de lever, maar het passeert de lever nu zonder gezuiverd te worden. Dit geeft een verhoogde ammoniakwaarde in het bloed en kan zodoende worden opgespoord). Via bloedonderzoek kan de hond hierop getest worden.

Maagtorsie

De maag draait in de buikholte om zijn as. Dit gebeurt meestal in de richting van de wijzers van de klok. Door de maagkanteling wordt de weg naar de darmen en de slokdarm afgekneld. Gassen, die door gisting ontstaan, vloeistof en voedsel kunnen niet meer worden afgevoerd en de maag zal opzwellen. Door de opzwelling van de maag wordt de bloedsomloop van de grote vaten en van de maag zelf belemmerd, de druk op het middenrif stijgt waardoor de ademhaling bemoeilijkt wordt. Doordat alle organen minder van bloed worden voorzien zal een torsie van de maag snel lijden tot shock en in een later stadium tot de dood. Symptomen zijn: zwelling achter de ribben, braken zonder dat er iets uitkomt, moeizame ademhaling.

Botkanker (Osteosarcoom)

Dit is de meest voorkomende bottumor bij de hond (80 %). De dieren zijn meestal rond de twee jaar of rond de zeven jaar oud. Osteosarcoom komt bij reuen vaker voor dan bij teven. De tumor bevindt zich meestal in één van de botten van de voor- of achterpoten, eigenlijk nooit in de gewrichten. De symptomen die de hond laat zien zijn een manken dat snel verslechtert en een pijnlijke harde of zachte zwelling op de plaats waar de tumor zit. Soms kan het manken plotseling verergeren doordat het verzwakte bot op de plek van de tumor breekt. De tumor kan zich ook in de kaak bevinden, deze zijn vaak iets minder kwaadaardig.

Verder is een Deerhound zeer gevoelig voor bepaalde medicatie (Ivermectine) en Sulfapreparaten en dient er met narcosemiddelen (geen gasnarcose) en doseringen heel voorzichtig omgesprongen te worden (vooral barbituraten), vanwege het lage vetgehalte van de Deerhound. Na een narcose moet de hond goed in de gaten gehouden worden vanwege eventueel oververhitting (maligne hyperthermie). Door spiertrillingen ten gevolge van narcose, stress, intensieve training kan dit verschijnsel ontstaan en dodelijk zijn. Het is iets heel anders dan oververhitting door de zon.